|
|
|
|
uit de NBV vertaling Inhoudsopgave
Zondag 25-07-2010Jeremia 32:16-2516 Nadat ik het koopcontract aan Baruch, de zoon van Neria, gegeven had, bad ik tot de HEER: 17 “Ach HEER, mijn God, u hebt met uw grote kracht, met uw machtige arm, de hemel en de aarde gemaakt. Voor u is niets onmogelijk. 18 U bewijst uw liefde aan duizenden, u laat voor de schuld van de ouders ook de kinderen boeten, u bent de grote, machtige God, uw naam is HEER van de hemelse machten. 19 Uw besluiten zijn indrukwekkend, uw daden machtig. U let aandachtig op de levensweg van de mensen en beloont ieder naar zijn daden. 20 U hebt in Egypte tekenen en wonderen verricht, en verricht die tot op de dag van vandaag in Israël en onder heel de mensheid, zodat uw naam nu overal gevestigd is. 21 U hebt uw volk Israël met angstaanjagende tekenen en wonderen uit Egypte weggeleid, met sterke hand en opgeheven arm, 22 en u hebt hun dit land gegeven, dat u hun voorouders onder ede had beloofd: een land dat overvloeit van melk en honing. 23 Uw volk trok het binnen en nam het in bezit, maar gehoorzaamde u niet. Ze leefden uw wet niet na, volgden uw geboden niet op. Daarom werd deze ellende hun deel. 24 De belegeringswal reikt al tot de stadsmuur, de stad staat op het punt te worden ingenomen. Ze valt in handen van de Chaldeeën, die haar bestormen. Het zwaard, de honger en de pest brengen haar ten val. Wat u hebt aangekondigd, ziet u nu zelf gebeuren. 25 Toch hebt u, HEER, mijn God, mij gezegd de akker te kopen en in aanwezigheid van getuigen te betalen. En dat terwijl de stad in handen van de Chaldeeën valt.”
Maandag 26-07-2010Jeremia 32:26-35
26 Hierop richtte de HEER
zich tot Jeremia: 27 ‘Ik ben de HEER,
de God van al wat leeft. Is er ook maar iets dat voor mij onmogelijk is? 28 Dit
zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de
Chaldeeën, koning Nebukadnessar van Babylonië zal haar innemen. 29 De
Chaldeeën, die de stad bestormen, zullen haar binnendringen en haar
platbranden: alle huizen waar de Israëlieten op de daken voor Baäl wierook
hebben gebrand en aan andere goden wijnoffers hebben gebracht. Ze hebben me
daarmee gekrenkt. 30 Israël en Juda hebben van
meet af aan gedaan wat slecht is in mijn ogen. Israël heeft mij voortdurend
gekrenkt met wat het zelf gemaakt heeft – spreekt de HEER.
31 Jeruzalem heeft, vanaf de dag dat het werd
gebouwd tot op de dag van vandaag, voortdurend mijn toorn gewekt. Daarom vaag
ik het weg. 32 Israël en Juda, de koningen,
leiders, priesters en profeten, alle inwoners van Juda en Jeruzalem, hebben al
het mogelijke kwaad gedaan en mij daarmee gekrenkt. 33 Ze
hebben mij niet gehoorzaamd, maar mij de rug toegekeerd. Hoewel ik hen telkens
weer onderwees, luisterden ze niet naar mijn terechtwijzingen. 34 Ze
hebben de tempel waaraan mijn naam verbonden is met gruwelijke afgodsbeelden
ontwijd, 35 en in het Hinnomdal offerhoogten voor
Baäl gebouwd om er hun zonen en dochters aan Moloch aan te bieden. Ze hebben
Juda met die gruweldaad tot zonde aangezet. Ik heb dat nooit geboden, ik heb
dat nooit gewild.
Dinsdag 27-07-2010Jeremia 32:36-44
36 Maar toch – dit zegt de HEER,
de God van Israël, over deze stad, waarover jullie zeggen: “Door het
zwaard, de honger en de pest valt ze de koning van Babylonië in handen”: 37 Ik
zal de inwoners samenbrengen uit alle landen waarheen ik ze in mijn grote
woede en toorn verdreven heb, ze terugbrengen naar deze stad en ze er in
vrede laten wonen. 38 Zij zullen mijn volk zijn
en ik zal hun God zijn. 39 Ik zal hen één van
hart en één van zin maken, zodat ze altijd ontzag voor mij zullen hebben
en het hun en hun nageslacht goed zal gaan. 40 Ik
zal een eeuwig verbond met hen sluiten, ik keer mij nooit meer van hen af en
zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen, zodat zij
zich nooit meer van mij zullen afkeren. 41 Ik
zal er weer vreugde in vinden hen te zegenen en zal hen voorgoed in dit land
planten. Met hart en ziel zal ik dat doen.
42 Dit zegt de HEER:
Zoals ik over dit volk al dit grote onheil heb gebracht, zo zal ik het al
het goede brengen dat ik hun beloof. 43 Jullie
zeggen dat dit land een woestenij is, zonder mens of dier, en dat het in
handen van de Chaldeeën gegeven is, maar er zullen weer akkers worden
gekocht. 44 Men zal ervoor betalen en in
aanwezigheid van getuigen koopcontracten opstellen en verzegelen, in het
gebied van Benjamin, in het gebied rond Jeruzalem, in de steden van Juda,
van het bergland, het heuvelland en de Negev. Want ik zal hun lot ten goede
keren – spreekt de HEER.
Woensdag 28-07-2010Lucas 11:37-44
Confrontatie met farizeeën en schriftgeleerden
37 Toen hij uitgesproken was, nodigde een
farizeeër hem uit voor de maaltijd. Hij ging naar binnen en ging aan
tafel aanliggen. 38 Toen de farizeeër dat
zag, verwonderde hij zich erover dat hij zich niet eerst gewassen had voor
de maaltijd. 39 Maar de Heer zei tegen hem:
‘Ach, jullie farizeeën! De buitenkant van de beker en de schotel
reinigen jullie, maar jullie eigen binnenkant is vol roofzucht en
slechtheid. 40 Dwazen, heeft hij die de
buitenkant gemaakt heeft niet ook de binnenkant gemaakt? 41 Geef
liever de inhoud van beker en schotel als aalmoes, dan is niets meer
onrein voor jullie! 42 Maar wee jullie farizeeën,
want jullie geven tienden van munt, wijnruit en andere kruiden, maar gaan
voorbij aan de gerechtigheid en de liefde tot God; je zou het een moeten
doen zonder het andere te laten. 43 Wee jullie
farizeeën, want jullie zitten graag op een ereplaats in de synagoge en
worden graag begroet op het marktplein. 44 Wee
jullie, want jullie zijn als ongemarkeerde graven waar de mensen overheen
lopen zonder het te weten.
Donderdag 29-07-2010Lucas 11:45-53
45 Daarop zei een wetgeleerde tegen hem:
‘Meester, door die dingen te zeggen beledigt u ook ons.’ 46 Maar
Jezus zei: ‘Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen
ondraaglijke lasten op, maar raken die zelf met geen vinger aan. 47 Wee
jullie, want jullie bouwen graftomben voor de profeten, terwijl jullie
voorouders hen hebben gedood. 48 Jullie zijn
getuigen die instemmen met de daden van jullie voorouders, want zij hebben
hen gedood en jullie bouwen de tomben! 49 Daarom
heeft God in zijn wijsheid gezegd: “Ik zal profeten en apostelen naar hen
zenden, maar ze zullen sommigen van hen doden en anderen vervolgen.” 50 Voor
het bloed van al de profeten dat sinds de grondvesting van de wereld
vergoten is, zal van deze generatie genoegdoening worden geëist, 51 van
het bloed van Abel tot het bloed van Zecharja, die omkwam tussen het
brandofferaltaar en het heiligdom. Ja, ik zeg jullie, van deze generatie zal
genoegdoening worden geëist! 52 Wee jullie
wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen; zelf
zijn jullie niet binnengegaan, en anderen die wel binnen wilden gaan hebben
jullie tegengehouden.’ 53 Toen hij het huis
verliet, waren de schriftgeleerden en de farizeeën uitzinnig van woede; ze
begonnen hem over van alles uit te vragen,
Vrijdag 30-07-2010Lucas 12:1-12
Onderricht aan de leerlingen en de menigte
12
1 Intussen had er zich een enorme menigte
verzameld. De mensen verdrongen elkaar, maar hij richtte zich eerst tot zijn
leerlingen: ‘Hoed je voor de zuurdesem, dat wil zeggen de huichelarij van
de farizeeën. 2 Niets is verborgen dat niet
onthuld zal worden, en niets is geheim dat niet bekend zal worden. 3 Alles
wat jullie in het duister zeggen, zal in het licht worden gehoord, en wat
jullie binnenskamers in iemands oor fluisteren, zal vanaf de daken bekend
worden gemaakt. 4 Tegen jullie, mijn vrienden,
zeg ik: wees niet bang voor degenen die het lichaam kunnen doden, maar niet
tot iets ergers in staat zijn. 5 Ik zal jullie
zeggen voor wie je bang moet zijn. Wees bang voor hem die de macht heeft om
iemand niet alleen te doden maar ook in de Gehenna te werpen. Ja, ik zeg
jullie, wees bang voor hem! 6 Wat kosten vijf
mussen? Bijna niets. Toch wordt er niet één door God vergeten. 7 Zelfs
de haren op jullie hoofd zijn alle geteld. Wees niet bang, jullie zijn meer
waard dan een hele zwerm mussen. 8 Ik zeg
jullie: iedereen die mij erkent bij de mensen, zal ook door de Mensenzoon
worden erkend bij de engelen van God. 9 Maar wie
mij verloochent bij de mensen, zal verloochend worden bij de engelen van
God. 10 En iedereen die iets ten nadele van de
Mensenzoon zegt, zal worden vergeven. Maar wie lastertaal spreekt tegen de
heilige Geest zal niet worden vergeven. 11 Wanneer
ze jullie voor de synagogen en de autoriteiten en het gerecht slepen, vraag
je dan niet bezorgd af hoe of waarmee je je moet verdedigen of wat je moet
zeggen, 12 want de heilige Geest zal jullie op
dat moment ingeven wat je moet zeggen.’
Zaterdag 31-07-2010Psalmen 49
1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een
psalm.
2 Hoor, alle volken,
luister, bewoners van de wereld,
3 mensen, kinderen van Adam,
rijk en arm, iedereen.
4 Mijn mond spreekt wijze woorden,
diepzinnig is wat mijn hart overpeinst,
5 ik heb een open oor voor raadselspreuken,
bij het spel op de lier onthul ik een geheim.
6 Waarom zou ik vrezen in slechte tijden,
als ik door uitbuiters word omringd,
7 die vertrouwen op hun vermogen
en pronken met hun rijkdom?
8 Geen mens kan een ander vrijkopen,
wat God vraagt voor een leven, is niet te betalen.
9 De prijs van het leven is te hoog,
in eeuwigheid niet op te brengen.
10 Onmogelijk dat iemand voor altijd zou
leven,
de kuil van het graf nooit zou zien.
11 Dit zien we: wijze mensen sterven,
maar ook dommen en dwazen vergaan
en laten hun vermogen achter.
hun woning van geslacht op geslacht,
ook al stond er veel land op hun naam.
13 Nee, een mens, hoe rijk ook,
ontkomt niet aan het duister,
hij is als een dier dat wordt afgemaakt.
14 Dit is het lot van wie op zichzelf
vertrouwen,
zo vergaat het wie zichzelf graag horen: sela
15 als schapen verblijven zij in het
dodenrijk,
en de dood is hun herder.
In de morgen vertrappen de oprechten hun graf,
hun lichaam teert weg in het dodenrijk en vindt geen rust.
16 Maar mij zal God vrijkopen uit de macht
van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen. sela
17 Wees niet bevreesd als iemand rijk wordt,
een groter huis heeft en meer weelde.
18 Want bij zijn dood kan hij niets meenemen,
zijn weelde volgt hem niet in het graf.
19 Ook al prijst hij zich gelukkig met zijn
leven
– wie roemt je niet in je voorspoed? –,
20 hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht,
bij hen die het licht nooit meer zullen zien.
21 Een mens zonder inzicht, hoe rijk ook,
is als een dier dat wordt afgemaakt.
|
|