|
|
|
|
uit de NBV vertaling Inhoudsopgave
Zondag 29-01-2012Deuteronomium 12:29-13:6Hart en ziel
Tegen verleiding tot afgodendienst
29 Straks zal de HEER,
uw God, voor u de volken uitroeien die nu nog het land bewonen dat voor u
bestemd is. Als u het eenmaal in bezit hebt gekregen en er bent gaan wonen, 30 zorg
er dan voor dat die volken, die voor u zijn uitgeroeid, niet alsnog uw
ondergang worden. Wees niet nieuwsgierig naar hun goden en vraag u niet af:
Hoe hebben die volken hun goden vereerd? Zo willen wij het ook doen! 31 Nee,
de HEER, uw God, verbiedt u dat. Want zij hebben voor
hun goden alles gedaan wat de HEER verafschuwt; ze
hebben zelfs hun zonen en dochters als offer voor hen verbrand.
13
1 U daarentegen moet alles wat ik u gebied
strikt naleven; voeg er niets aan toe en doe er ook niets van af.
2 Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit
uw midden een teken of een wonder voorspelt, 3 dat
vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende
goden te volgen en te dienen – 4 luister dan
niet naar wat hij zegt. Want de HEER, uw God, wil u
daarmee op de proef stellen, om te ontdekken of u hem wel met hart en ziel
liefhebt. 5 Blijf de HEER,
uw God, volgen en heb alleen voor hem ontzag. Leef zijn geboden na en luister
naar hem; dien alleen hem en blijf hem toegedaan. 6 En
die profeet of droomuitlegger moet ter dood gebracht worden omdat hij u wilde
opzetten tegen de HEER, uw God, die u uit Egypte
heeft weggehaald en u uit de slavernij heeft bevrijd. Die man heeft immers
geprobeerd u af te brengen van de weg die de HEER, uw
God, u had gewezen. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem
smoren.
Maandag 30-01-2012Deuteronomium 13:7-19Dien alleen de HEER
7 Wanneer iemand – uw volle broer, uw
zoon of uw dochter, of de vrouw die u bemint, of uw beste vriend – u in
het geheim probeert over te halen om andere goden te dienen, goden die u
nog niet kende en ook uw voorouders niet, 8 goden
van de naburige volken, vlakbij of ver weg of waar ook ter wereld, 9 luister
dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen
medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. 10-11 U
moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen
tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn
straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER,
uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. 11 [10–11]
12 Het hele volk van Israël moet
daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen.
13 Wanneer in een van de steden die u van
de HEER, uw God, krijgt om u daar te vestigen,
het gerucht de ronde doet 14 dat er onder
uw volk nietswaardige figuren zijn opgestaan die de andere inwoners van
hun stad tot ontrouw hebben aangezet en hen naar andere goden hebben laten
overlopen – goden die u onbekend zijn –, 15 dan
moet u navraag doen, een onderzoek instellen en de zaak tot op de bodem
uitzoeken. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat
zoiets afschuwelijks bij u heeft plaatsgevonden, 16 dan
moet u de inwoners van die stad ter dood brengen. De hele stad, iedereen
die er woont, en alle dieren moeten onvoorwaardelijk aan de HEER
worden gewijd en gedood worden, 17 en alle
goederen van de stad moeten op het plein bijeengebracht worden. Daarna
moet u de stad en de goederen in brand steken, als een brandoffer voor de HEER,
uw God. De stad wordt zo voor eeuwig tot een ruïne gemaakt, ze mag nooit
meer herbouwd worden. 18 Van de goederen
waarop de ban van de HEER rust mag u niets
verduisteren. Als u zo handelt zal de woede van de HEER
bekoelen en zal hij u genadig zijn. Hij zal zich over u ontfermen en u in
aantal doen toenemen, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. 19 Want
dan bent u de HEER, uw God, gehoorzaam: u leeft
de geboden na die ik u vandaag voorhoud en u doet wat goed is in zijn
ogen.
Dinsdag 31-01-2012Deuteronomium 14:1-21Heilig dieet
Verboden rouwgebruiken; over reine en onreine dieren
14
1 Omdat u kinderen van de HEER,
uw God, bent is het u niet geoorloofd als teken van rouw uw lichaam te kerven
of het haar op uw voorhoofd weg te scheren. 2 Want
u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd: u
heeft hij uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar
bezit te zijn.
3 U mag niets eten dat door de HEER
wordt verafschuwd.
4 De volgende dieren mag u eten: runderen,
schapen, geiten, 5 herten, gazellen, reeën,
steenbokken, spiesbokken, antilopen, wilde schapen, 6 en
alle andere dieren die gespleten hoeven hebben – dus hoeven die helemaal
gedeeld zijn – en bovendien hun voedsel herkauwen. Dat zijn de dieren die u
wel mag eten. 7 Maar dieren die alleen
herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten. Kamelen, hazen
en klipdassen zijn herkauwers, maar hebben geen gespleten hoeven; daarom
gelden ze voor u als onrein. 8 En zwijnen
hebben wel gespleten hoeven, maar herkauwen niet; daarom moet u ook die als
onrein beschouwen. Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak
hun kadavers niet aan.
9 Alles wat in het water leeft en vinnen en
schubben heeft mag u eten, 10 maar dieren
zonder vinnen of schubben niet; die gelden voor u als onrein.
11 Alle vogelsoorten die rein zijn mag u eten. 12 De
volgende vogels mag u niet eten: de vale gier, de lammergier, de zwarte gier, 13 de
rode wouw en de verschillende soorten buizerds, 14 alle
soorten kraaien en raven, 15 de struisvogel, de
velduil, de bosuil, alle soorten valken, 16 de
steenuil, de ransuil, de katuil, 17 de
dwergooruil, de visarend, de visuil, 18 de
ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. 19 Ook
gevleugelde insecten moet u als onreine dieren beschouwen, die u niet mag
eten, 20 met uitzondering van enkele reine
soorten.
21 U mag geen vlees eten van dieren die dood
gevonden zijn. Laat het aan de vreemdelingen die bij u in de stad wonen, of
verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een volk dat aan de HEER,
zijn God, gewijd is.
U mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder.
Woensdag 01-02-2012Deuteronomium 14:22-29Tien procent
Over plichten op gezette tijden
22 Ieder jaar moet u het tiende
deel van de opbrengst van uw akkers afdragen. 23 Van
de tienden van uw koren, wijn en olie en uw eerstgeboren
runderen, schapen en geiten moet u een feestmaal aanrichten
ten overstaan van de HEER, uw God, op
de plaats die hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten
wonen. Zo leert u steeds opnieuw te leven in ontzag voor de HEER,
uw God. 24 Voor het geval u
niet in staat bent om uw tienden en uw offergaven die hele
afstand mee te nemen – zeker wanneer de HEER
u rijk gezegend heeft – omdat de plaats die hij uitkiest te
ver weg is, 25 moet u uw
afdracht te gelde maken en met dat geld in een buidel naar de
plaats van zijn keuze gaan. 26 Daar
mag u het uitgeven aan alles wat u maar wilt: runderen,
schapen en geiten, wijn en andere drank en wat maar in u
opkomt, en daarvan richt u dan, ten overstaan van de HEER,
uw God, een feestmaal aan met uw hele familie. 27 En
vergeet daarbij de Levieten die bij u in de stad wonen niet,
want zij bezitten geen eigen grond zoals u.
28 Elk derde jaar moet u het
tiende deel van de opbrengst in zijn geheel afstaan en het
opslaan in de stad. 29 De
Levieten, die geen grond bezitten zoals u, en de
vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad
wonen, mogen daarvan dan nemen zo veel als ze nodig hebben. De
HEER, uw God, zal u erom zegenen in
alles wat u onderneemt.
Donderdag 02-02-2012Deuteronomium 15:1-11Armoedebestrijding
Elk zevende jaar moet u algemene
kwijtschelding verlenen. 2 Dat houdt het
volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem heeft geleend
zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn volksgenoot, zijn broeder, niet tot
afbetaling dwingen, want de kwijtschelding is afgekondigd in de naam van de HEER.
3 Van een buitenlander mag u wel betaling
vorderen, maar wat u van een volksgenoot te goed hebt moet u kwijtschelden. 4 Overigens
zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal de HEER
u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven, 5 tenminste,
als u hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig
naleeft; 6 dan zal de HEER,
uw God, u zeker zegenen, zoals hij beloofd heeft. U zult aan veel volken
leningen verstrekken, maar zelf hoeft u niet te lenen. U zult over veel volken
macht uitoefenen, maar zij niet over u.
7 Zou er in een van de steden in het land dat
de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen
volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de
zak houden, 8 maar u moet diep in de buidel
tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft. 9 Wees
niet zo berekenend om bij uzelf te denken: Het zevende jaar, het jaar van de
kwijtschelding, komt eraan – waardoor u zich afsluit voor de ellende van uw
volksgenoot en hem met lege handen laat gaan. Als hij dan de HEER
zijn nood klaagt om wat u hem hebt aangedaan, zal het u als zonde worden
aangerekend. 10 Geef hem dus ruimhartig en
zonder spijt, en de HEER, uw God, zal u erom zegenen
in alles wat u doet en onderneemt. 11 Armen
zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn
tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is.
Vrijdag 03-02-2012Deuteronomium 15:12-23Oormerk
Wanneer iemand uit uw volk, een Hebreeuwse man
of vrouw, zich als slaaf of slavin aan u verkoopt, moet deze u zes jaar lang
dienen; in het zevende jaar moet u hem of haar de vrijheid teruggeven. 13 Wanneer
u dan de betreffende persoon in vrijheid laat vertrekken, mag u hem niet met
lege handen laten gaan. 14 U moet hem met gulle
hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de HEER
u ook maar heeft toebedeeld. 15 Bedenk dat u
zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw
God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. 16 Maar
indien hij niet bij u weg wil, omdat hij het goed bij u heeft en aan u en uw
familie gehecht is geraakt, 17 moet u een priem
door zijn oor in uw deur steken. Daarmee wordt hij voorgoed uw slaaf. En met
een slavin moet u hetzelfde doen. 18 Laat het u
niet hard vallen als u hen moet laten gaan, want zij hebben in zes jaar trouwe
dienst hetzelfde gedaan als een dagloner, voor de helft van het geld. De HEER,
uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet.
19 Elk eerstgeboren mannelijk dier dat uw
koeien, geiten en schapen werpen, moet u aan de HEER,
uw God, wijden. Zo’n eerstgeboren kalf mag u niet voor u laten werken en
zo’n lam of bokje mag u niet scheren. 20 U
moet die eerstgeboren dieren elk jaar samen met uw familie eten ten overstaan
van de HEER, uw God, op de plaats die hij uitkiest. 21 Maar
als zo’n dier een gebrek heeft, als het kreupel of blind is of wat dan ook,
dan mag u het niet ter ere van de HEER, uw God,
slachten. 22 In dat geval moet u het in uw
eigen stad eten, net zoals iedereen, rein of onrein, gazellen of herten mag
eten. 23 Onthoud u alleen wel van het bloed;
laat het als water op de grond weglopen.
Zaterdag 04-02-2012Deuteronomium 16:1-17Feestregels
Over de grote feesten
16
1 Ieder jaar in de maand abib moet u
voor de HEER, uw God, het pesachoffer
bereiden. Hij heeft u immers op een nacht in die maand uit Egypte
weggeleid. 2 Voor het pesachoffer ter
ere van de HEER moet u geiten, schapen of
runderen slachten op de plaats die hij zal kiezen om er zijn naam te
laten wonen. 3 Bij dat vlees mag u geen
gedesemd brood eten, maar alleen ongedesemd brood, gedurende zeven
dagen. Het is het tranenbrood dat u, zolang u leeft, zal herinneren
aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte, aan dat overhaaste vertrek. 4 Zeven
dagen lang mag er in het hele land bij u geen stukje zuurdesem te
vinden zijn. En van het vlees dat de slacht van de eerste avond
oplevert, mag niets tot de volgende dag bewaard worden. 5 U
mag de dieren voor het pesachoffer niet slachten in elk van de steden
die de HEER, uw God, u zal geven, 6 maar
u moet dat op de ene plaats doen die hij zal uitkiezen om er zijn naam
te laten wonen, en wel ’s avonds, bij zonsondergang, het tijdstip
waarop u uit Egypte vertrok. 7 Daar
moet u het vlees bereiden en eten; de volgende morgen kunt u weer naar
uw eigen woonplaats terugkeren. 8 Zes
dagen lang moet u ongedesemd brood eten, en de zevende dag is er een
feestelijke samenkomst voor de HEER, uw God;
dan mag u niet werken.
9 Zeven weken moet u aftellen: zeven
weken nadat de eerste sikkel in het koren is gezet 10 moet
u voor de HEER, uw God, het Wekenfeest
vieren, zo uitbundig als uw vrijwillige gaven het toelaten, naar de
mate waarin de HEER, uw God, u zegent. 11 Ten
overstaan van hem moet u dan feestvieren, samen met uw zonen en
dochters, uw slaven, uw slavinnen, de Levieten die bij u in de stad
wonen, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Doe dat op de
plaats die de HEER, uw God, zal kiezen om er
zijn naam te laten wonen. 12 Bedenk dat
u zelf in Egypte slaaf bent geweest; houd u daarom zorgvuldig aan deze
voorschriften.
13 Wanneer het graan is gedorst en de
druiven zijn geperst, moet u gedurende zeven dagen het Loofhuttenfeest
vieren. 14 Vier dan uitbundig feest,
samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en de
Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de
stad wonen. 15 Zeven dagen lang moet u
voor de HEER, uw God, feestvieren op de
plaats van zijn keuze. Hij zal immers al uw werk zegenen en u een
rijke oogst geven. Vier daarom uitbundig feest.
16 Driemaal per jaar moeten alle mannen
dus voor de HEER, uw God, verschijnen op de
plaats die hij zal kiezen: voor het feest van het Ongedesemde brood,
het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Ze mogen daar niet met lege
handen komen; 17 ieder moet geven naar
de mate waarin de HEER, uw God, hem heeft
gezegend.
|
|